Staken van behandeling

Op basis van de huidige richtlijnen en wetenschappelijk bewijs doet de commissie de volgende aanbevelingen:

  1. Het staken van NUCs wordt sterk afgeraden bij immuungecompromitteerde patiënten, en bij patiënten met relevante comorbiditeiten (HCC, gedecompenseerde cirrose en HIV).
  2. Staken van NUCs bij HBsAg-negatieve patiënten:
        • Bij patiënten zonder cirrose kunnen NUCs veilig worden gestopt indien het HBsAg tweemaal negatief is met een tussenliggende periode van minstens 6 maanden, ongeacht het optreden van anti-HBs seroconversie.
        • Bij patiënten met gecompenseerde cirrose kunnen NUCs worden gestopt indien het HBsAg tweemaal negatief is met een tussenliggende periode van minstens 6 maanden, gevolgd door tenminste 12 maanden consolidatie therapie.1 Staken van behandeling bij patiënten met gedecompenseerde cirrose wordt vooralsnog afgeraden.
        • Na het staken van NUCs dient het HBsAg en HBV DNA in het eerste jaar iedere 3 maanden gecontroleerd te worden, gevolgd door iedere 6 maanden in het tweede jaar. Indien er geen sprake is van reactivatie kunnen de controles 2 jaar na het staken van NUCs gestopt worden.
  3. Staken van NUCs bij HBsAg-positieve patiënten:
        • Het uitgangspunt is dat bij HBsAg positieve patiënten de behandeling niet wordt gestaakt. Indien er toch een wens is tot staken van behandeling dan kan dit worden overwogen bij de volgende groepen patiënten
        • Bij initieel HBeAg-positieve patiënten zonder HBsAg verlies kunnen NUCs gestopt worden 12 maanden na HBeAg seroconversie indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan
            1. Niet kwantificeerbaar HBV DNA (<20 IU/mL)
            2. Nooit aanwijzingen voor gevorderde fibrose (≥F3, NB een lage leverstijfheid tijdens behandeling sluit de aanwezigheid van gevorderde fibrose NIET uit)
            3. Laag qHBsAg (<1000 IU/mL bij Kaukasische afkomst, <100 IU/ml bij Aziatische afkomst).
        • Bij initieel HBeAg-negatieve patienten zonder HBsAg verlies kan het staken van NUCs worden overwogen indien er sprake is van minstens 3 jaar lang volledig onderdrukt HBV DNA (<20 IU/mL) mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
            1. Nooit aanwijzingen voor gevorderde fibrose (≥F3, NB een lage leverstijfheid tijdens behandeling sluit de aanwezigheid van gevorderde fibrose NIET uit))
            2. Laag HBsAg (<1000 IU/mL bij Kaukasische afkomst, <100 IU/ml bij Aziatische afkomst).
        • Strikte monitoring na het staken van de behandeling bij HBsAg-positieve patiënten is van groot belang gezien het risico op het ontstaan van ernstige hepatitis ten gevolge van virale relapse. ALT, HBV DNA (en HBeAg-status) dienen in de eerste 6 maanden minstens 1x per 4 weken gecontroleerd te worden, gevolgd door iedere 3 maanden gedurende 2 jaar. Verdere follow-up hierna conform de adviezen voor onbehandelde patiënten
  4. Behandeling dient laagdrempelig te worden herstart bij iedere patiënt die voldoet aan de behandelcriteria, en bij iedere patiënt met een HBV DNA >10 000 IU/mL, ongeacht het ALT. Indien het primaire doel van staken van behandeling was om de kans op HBsAg verlies te vergroten dan dient herbehandeling te worden overwogen bij iedere patiënt met een HBsAg en/of een HBV DNA >100 IU/mL op 6 maanden na staken, aangezien de kans op HBsAg verlies in deze patiënten verwaarloosbaar is (Bron: Sonneveld et al. Gastroenterology, 2024).

Toelichting

1 De kans op reactivatie na het staken van antivirale therapie bij patiënten die HBsAg negatief zijn geworden is zeer laag. Bij patiënten met cirrose kan een reactivatie echter wel grote gevolgen hebben. Staken van therapie na HBsAg verlies kan bij patiënten met cirrose worden overwogen, maar patiënten dienen na het staken wel strikt te worden vervolgd (iedere 1-3 maanden gedurende het eerste jaar).