Hiervoor verwijst de werkgroep naar vigerende richtlijnen voor de behandeling van HIV-HBV co-infectie.
HCV co-infectie
Patiënten met HBV-HCV co-infectie dienen te worden behandeld met NUCs als zij voldoen aan de reguliere behandelindicaties.
Alle HBsAg-positieve patiënten met cirrose (ook bij een niet detecteerbaar HBV DNA) dienen te worden behandeld met een NUC tijdens anti-HCV behandeling, ten minste tot 12 weken na het staken van anti-HCV behandeling.
Bij HBsAg positieve patiënten zonder een behandelindicatie voor HBV dient profylactische NUC therapie overwogen worden.
Bij HBsAg negatieve, anti-HBc positieve patiënten die worden behandeld met DAAs tegen hepatitis C dient te worden gemonitord op het optreden van HBV reactivatie, of kan worden gekozen voor profylactische antivirale therapie (tot 12 weken na het staken van de HCV behandeling).